Reinheidsgraad als normstelling:

De schoonmaakdienstverlening heeft uiteindelijk als doel ervoor zorg te dragen dat een gebouw schoon is. Het begrip ‘norm’ is op alle vormen van dienstverlening en productieprocessen toe te passen. Het is niet alleen de kwaliteit van diensten en producten die met normen kan worden gedefinieerd. De totstandkoming van dienstverlening en producten kan ook aan normen worden gerelateerd. In deze paragraaf wordt het beperkt tot de normering van reinheidseisen. Het gaat om de reinheidseisen die moeten worden nagestreefd om een bepaalde reinheidsgraad in een gebouw te realiseren. De kwalificatie van reinheidseisen is afgestemd op de individuele onderneming of instelling. Een financiële instelling stelt nu eenmaal andere eisen dan een onderwijsinstelling. Wat wel kan worden gestandaardiseerd is de onderbouwing die binnen de diverse stadia van de reinheidsgraad is ondergebracht. Uitgaande van het feit dat absoluut schoon een theoretisch gegeven is en praktisch gezien niet te realiseren valt, is het wel mogelijk de diverse niveaus van acceptabele vervuiling eenduidig te omschrijven. Voortvloeiend uit de voorwaarden van functionaliteit en kwaliteit van de huisvesting ontstaat de behoefte dit verder uit te werken naar hygiënische en esthetische normen. De uitgangspunten die hieraan ten grondslag liggen zijn tweeledig. De formulering van arbeidsomstandigheden waaronder de werknemers binnen het bedrijfsgebouw moeten functioneren is de eerste benaderingswijze. Het tweede pakket van eisen omvat bepalingen die voorwaarden stellen aan ruimten die een bepaalde functionaliteit hebben in het proces en/of het gebouw. De combinatie van arbeidsomstandigheden en productie-eisen wordt uiteindelijk vertaald in een eisen- en een voorwaardenpakket.
Hygiënische en esthetische normen kunnen onder de noemer van reinheidseisen worden geplaatst. Reinheidseisen zijn kwantificeerbaar, daardoor objectief meetbaar en derhalve kwalificeer baar. Er zijn dus duidelijke eisen aan te koppelen. Esthetische normen daarentegen hebben voornamelijk betrekking op de belevingswaarde en zijn op die grond subjectief. Het hygiënische aspect is bij normaal schoonmaakonderhoud nauwelijks een probleem. De belevingswaarde is altijd persoonlijk. De uitspraak ‘over smaak valt niet te twisten’ is hier dan ook van toepassing. Om toekomstige afstemmingsproblemen zo veel mogelijk te voorkomen is het noodzakelijk om de reinheidsgraad inzichtelijk en bespreekbaar te maken. Door middel van eenduidige en objectieve redenering worden handvatten gecreëerd die eventuele discussies vereenvoudigen. Deze situatie is bekeken vanuit het gezichtsveld van de afnemer, oftewel de interne klant. Anderzijds is het eveneens noodzakelijk om vanuit het oogpunt van de schoonmaakuitvoering duidelijkheid te verschaffen wat precies onder de reinheidsnormen wordt verstaan. De rol van de schoonmaakbeheerder is ondergeschikt aan die van de interne klant en de schoonmaakuitvoering. Zoals eerder vermeld is zijn taakstelling niets anders dan een intermediairfunctie vervullen, met andere woorden: voor een optimale afstemming tussen de beide partijen zorg dragen. Uiteindelijk wordt er met schoonmaakonderhoud naar gestreefd om de in het gebouw aanwezige ruimten operationeel te houden en het welzijn van alle personen die werkzaam zijn of gebruikmaken van het gebouw te vergroten. Dat wil echter niet zeggen dat de interne klant kan bepalen wat voor reinheidsgraad op de werkplek moet worden behaald als de gebruiker het daar niet mee eens is. De reinheidsgraadbepalingen die voor de verschillende ruimten worden vastgesteld zijn een zaak van de bedrijfsleiding. Uiteraard wordt de bedrijfsleiding van een degelijk onderbouwd advies voorzien door de verantwoordelijke budgetbeheerder. De bedrijfsleiding moet na de normstelling te hebben vastgesteld deze ondersteunen en, indien nodig, verdedigen. Om de reinheidsgraad te beschrijven is het noodzakelijk om te definiëren wat voor normstelling gehanteerd gaat worden en welke criteria hieraan ten grondslag liggen. Tevens zal er een bepaalde bandbreedte moeten worden aangelegd die aangeeft binnen welke marges de reinheidsgraad mag variëren. Dit is noodzakelijk van wege het feit dat de vervuiling van een gebouw een geleidelijk proces is, waardoor een constante kwaliteit praktisch niet haalbaar is. Er kan worden aangegeven welke reinheidsgraad moet worden behaald na een schoonmaakhandeling en wat voor norm geldt voordat een schoonmaakhandeling wordt verricht. Om uiteindelijk reinheidseisen te bepalen, is de onderverdeling in diverse gradaties onontbeerlijk voordat tot normering wordt overgegaan. Deze gradaties moeten eenvoudig en consequent worden gehanteerd. Bovendien moeten alle stadia van vervuiling worden vertegenwoordigd. Er is gekozen voor vier criteria die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn: – Zwaar vervuild. Het gaat hierbij om gehecht vuil (zware vingertasten en aanslag) en ongehecht vuil (stofvlokken, stofraggen en dicht stof). – Matig vervuild. Hierbij gaat het om gehecht vuil (vingertasten, lichte strepen en lichte vlekken) en ongehecht vuil (licht stof). – Redelijk schoon. Daarbij gaat het om minimaal gehecht vuil (enkele vingertasten) en minimaal ongehecht vuil (stof, strepen en vlekken). – Schoon. Er is geen sprake van zichtbaar gehecht of ongehecht vuil. Er zijn dus vier niveaus van reinheid. Om dit nu te kwalificeren en te vervatten in een normstelling gelden de volgende gradatieniveaus: reinheidsgraad 2, reinheidsgraad 4, reinheidsgraad 6 en reinheidsgraad 8. Er is een aantal redenen om juist voor deze onderverdeling te kiezen. De kwalificaties 2, 4, 6 en 8 maken volgens het Nederlandse beoordelingssysteem in één oogopslag duidelijk wat hiermee wordt bedoeld. Door vier duidelijk herkenbare kwalificatieniveaus te definiëren ontstaat geen onduidelijkheid over de betekenis ervan. Het is enerzijds zwaar of matig vervuild, anderzijds redelijk schoon of schoon. Er is geen tussenweg mogelijk. Indien we ook 3, 5 en 7 zouden definiëren, dan wordt geen duidelijk onderscheid gemaakt. Zo worden discussies met interne klanten en met de uitvoerders van het schoonmaakonderhoud voorkomen. Overigens wil een reinheidsniveau 4 niet automatisch aangeven dat de reinheidsgraad niet voldoet. Als in de normering is aangegeven dat het reinheidsniveau 4 moet zijn, wil dat dus zeggen dat het voldoende is. Ook al is het niet schoon. Het behaalde reinheidsniveau per ruimtecategorie en ruimtenaam mag niet meer of minder zijn dan hetgeen is voorgeschreven. Met andere woorden: de verschil wege het feit dat de vervuiling van een gebouw een geleidelijk proces is, waardoor een constante kwaliteit praktisch niet haalbaar is. Er kan worden aangegeven welke reinheidsgraad moet worden behaald na een schoonmaakhandeling en wat voor norm geldt voordat een schoonmaakhandeling wordt verricht. Om uiteindelijk reinheidseisen te bepalen, is de onderverdeling in diverse gradaties onontbeerlijk voordat tot normering wordt overgegaan. Deze gradaties moeten eenvoudig en consequent worden gehanteerd. Bovendien moeten alle stadia van vervuiling worden vertegenwoordigd.
Er is gekozen voor vier criteria die duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn: – Zwaar vervuild. Het gaat hierbij om gehecht vuil (zware vingertasten en aanslag) en ongehecht vuil (stofvlokken, stofraggen en dicht stof). – Matig vervuild. Hierbij gaat het om gehecht vuil (vingertasten, lichte strepen en lichte vlekken) en ongehecht vuil (licht stof). – Redelijk schoon. Daarbij gaat het om minimaal gehecht vuil (enkele vingertasten) en minimaal ongehecht vuil (stof, strepen en vlekken). – Schoon. Er is geen sprake van zichtbaar gehecht of ongehecht vuil. Er zijn dus vier niveaus van reinheid. Om dit nu te kwalificeren en te vervatten in een normstelling gelden de volgende gradatieniveaus: reinheidsgraad 2, reinheidsgraad 4, reinheidsgraad 6 en reinheidsgraad 8. Er is een aantal redenen om juist voor deze onderverdeling te kiezen. De kwalificaties 2, 4, 6 en 8 maken volgens het Nederlandse beoordelingssysteem in één oogopslag duidelijk wat hiermee wordt bedoeld. Door vier duidelijk herkenbare kwalificatieniveaus te definiëren ontstaat geen onduidelijkheid over de betekenis ervan. Het is enerzijds zwaar of matig vervuild, anderzijds redelijk schoon of schoon. Er is geen tussenweg mogelijk. Indien we ook 3, 5 en 7 zouden definiëren, dan wordt geen duidelijk onderscheid gemaakt. Zo worden discussies met interne klanten en met de uitvoerders van het schoonmaakonderhoud voorkomen. Overigens wil een reinheidsniveau 4 niet automatisch aangeven dat de reinheidsgraad niet voldoet. Als in de normering is aangegeven dat het reinheidsniveau 4 moet zijn, wil dat dus zeggen dat het voldoende is. Ook al is het niet schoon. Het behaalde reinheidsniveau per ruimtecategorie en ruimtenaam mag niet meer of minder zijn dan hetgeen is voorgeschreven. Met andere woorden: de verschil lende gradaties in de reinheidsgraad hoeven niet evenredig te zijn met de eisen die hieraan worden gesteld. Elke organisatie behoort haar eigen exacte invulling te geven per kwalificatieniveau. Het is niet verstandig om de reinheidsgraad van een gebouw als een geheel te normeren. Het is overzichtelijker om het gebouw onder te verdelen in ruimtecategorieën, om dan vervolgens per ruimtecategorie de reinheidseisen te bepalen.